Indien een gemeente dit wenst blijft het wel mogelijk dat de functie via bevordering wordt begeven [...].
Eind vorig jaar zorgde Reynders er al voor dat Parijs niet op de lijst kwam van te begeven posten, zodat Patrick Vercauteren Drubbel nog een jaar in de Franse hoofdstad kan blijven.
Om de verdeling van de te begeven zetels te berekenen, worden een aantal berekeningen gemaakt.
Die zal er o.m. ook voor zorgen dat er voldoende kandidaten ter beschikking zijn om de vele te begeven functies op een verantwoorde en deskundige wijze in te vullen.
object
Wie of wat (...) men of wordt (...)?
substantief
functie
in uitdrukkingen, spreekwoorden, e.d.
te begeven
- subject
- object
- verbum finitum
- zich
- bepaling
- voorlopig subject
- n.n.
- 1iemand of iets begeeft zich ergens heen
- bezoeker
- Er zijn filmpjes te zien hoe de bezoekers van die tijd zich door het gebouw begeven .
- dier
- Deze dieren zijn niet mensenschuw en begeven zich gewoon op de openbare weg .
- man
- De man begaf zich naar de poort, werd weggestuurd, maar keerde met zijn auto terug.
- mens
- Elk weekend begeven 60.000 mensen zich naar de clubs van Berlijn.
- politie
- Dan begeeft de politie zich naar het kerkhof en wordt er een overleden familielid opgegraven.
- vrouw
- Rustig begeven de vrouwen zich naar voor.
- buiten
- Zodoende begeef ik me naar buiten .
- gebied
- Maar dit en het feit dat de drie jongens zich in bezet gebied begaven , doen er even niet toe.
- kassa
- Ze begaven zich naar de kassa's en eisten geld.
- pad
- Wanneer de wandelaars zich niet buiten de paden begeven , kunnen ze niet bij de weilanden komen.
- plaats
- Meteen begaven zich twee politieteams naar de plaats van de feiten.
- plek
- Naar haar gevoel met name als ze zich op drukbezochte plekken begeeft .
- straat
- Fietsers en automobilisten begeven zich onzeker op straat .
- uitgang
- Zo'n 90.000 fans werden verzocht zich ' rustig en gecontroleerd ' naar de uitgang te begeven .
- verkeer
- Iedereen die zich in het verkeer begeeft , moet aandachtig blijven.
- werk
- Als we ons naar het werk begeven dan doen we dat steeds meer met de auto, de hoge brandstofprijzen ten spijt.
iemand of iets gaat ergens heen- Het slachtoffer kon zich nog zelf naar het ziekenhuis begeven .
- (meer voorbeelden)
- 2iemand begeeft zich op iets of in iets of ... iets
- mens
- Mensen begeven zich vaker - traceerbaar - op de elektronische snelweg.
- politie
- Met de infiltratie-actie waarmee Hansa werd opgerold begeeft de politie zich juridisch op nieuw terrein.
- grensvlak
- Ze krijgt de prijs, 10.000 euro groot, voor haar gehele oeuvre, dat zich begeeft op het grensvlak van kunst en design.
- internet
- Alleen als consumenten zich met vertrouwen begeven op het internet , zullen zij het internet kiezen als volwaardig alternatief voor traditionele vormen van dienstverlening.
- markt
- Dat merk ik pas echt goed nu ik mij begeef op de Franstalige markt .
- terrein
- „ Je moet je begeven op terreinen waar je niet thuis bent: hoe zit de gemeente in elkaar, wat zijn je rechten, bij wie moet je zijn.
- vertaalgebied
- En het is lang niet de enige techgigant die zich begeeft op vertaalgebied .
- iin
- Dus dan zijn er die zich in de criminaliteit begeven .
- in
- En dichters als Wiman begeven zich in die onmogelijkheid .
- buiten
- Vaak heeft de regisseur zich niet buiten het horrorgenre begeven .
iemand gaat zich bezighouden met iets of toeleggen op iets- Steeds meer grote techbedrijven begeven zich op de vertaalmarkt .
- (meer voorbeelden)
- 3iemand begeeft zich onder iemand groep of tussen iets of iemand groep of in iets milieu
- jetset
- Zij doet niets liever dan zich onder de jetset te begeven .
- mensen
- Nog altijd begeeft hij zich graag onder de mensen .
- plebs
- Sommige leiders begeven zich heel naturel onder het plebs .
- autoverkeer
- En fietsers gebruiken het voetpad omdat ze bang zijn zich tussen het autoverkeer te begeven .
- mensen
- Ik ken er veel die zenuwachtig worden wanneer ze moeten speechen, of wanneer ze zich tussen de mensen begeven .
- publiek
- Als suppoost gekleed begeef ik me tussen het publiek en ga volstrekt mijn eigen gang.
- gezelschap
- Kortom : Messi en Ronaldo begeven zich in goed gezelschap .
- milieu
- Hij plaatst Robert Johnson in het muzikale milieu waarin hij zich begaf .
- wereld
- Dat komt door die verschrikkelijke strebertjes die zich in die wereld begeven .
iemand gaat vertoeven onder of tussen een groep of in een mileu- Nog altijd begeeft hij zich graag onder de mensen .
- (meer voorbeelden)
- 4iets of iemand begeeft het
- auto
- Bij Salzburg begaf de auto het.
- dam
- Als de dam het begeeft , worden tot 1 miljoen mensen met de dood bedreigd.
- hart
- Ik moet terug gaan liggen voordat mijn hart het begeeft .
- knie
- Maar dan, opeens, begeeft je knie het, of je schouder, of je rug, of je heup.
- man
- Wanneer zijn vierde dochter met een zwarte thuiskomt, begeeft de man het bijna.
- motor
- Maar onderweg begaf zijn motor het, en hij besloot verder te voet te gaan.
- muur
- Nu zijn de muren het aan het begeven .
- nier
- Raphael lijdt aan een auto-immuunziekte waardoor zijn nieren het begeven .
- rem
- De remmen van de vrachtwagen begaven het in een lange afdaling waar het verboden is te rijden.
- waterleiding
- Blijft de vraag hoe zo'n belangrijke waterleiding het kan begeven .
iets of iemand bezwijkt onder druk of gaat kapot- Bij Salzburg begaf de auto het .
- (meer voorbeelden)
zelden zonder 'het' - 5iemand begeeft ietsiemand geeft een functie of post aan iemand
- Indien een gemeente dit wenst blijft het wel mogelijk dat de functie via bevordering wordt begeven [...] .
- (meer voorbeelden)
Nederlandse term: onderwerp. Van wie of wat gaat de handeling of werking van het verbum uit? Het gaat hier om zogenaamde semantische of logische subjecten bij het hoofdwerkwoord. Vaak valt het semantische subject samen met het grammaticale subject (het subject van de zin), maar dat is zeker niet altijd het geval. In passieve zinnen kan het semantische subject uitgedrukt zijn in een door-bepaling. Ook in andere zinnen met een hulpwerkwoord en een hoofdwerkwoord hoort het semantische subject bij het hoofdwerkwoord. Vergelijk:
de arts behandelt de patiënt (actieve zin)
vs.
de patiënt wordt/is behandeld door de arts (passieve zin)de kunstenaar werkt in alle rust
vs.
de kunstenaar wil in alle rust kunnen werken.
De arts is in de passieve zin niet meer het grammaticale subject van de zin. Dat is nu de patiënt bij wordt/zijn. De arts is wel nog diegene die de handeling van het verbum behandelen uitoefent en blijft van dat verbum het zogenaamde logische of semantische subject. De hele door-bepaling door de arts wordt in Nederlandse grammatica’s ook wel het handelend voorwerp genoemd. In de zin de kunstenaar wil in alle rust kunnen werken is de kunstenaar het grammaticale subject bij wil, maar het semantische subject bij werken.
Nederlandse term: lijdend voorwerp. Wie of wat ondergaat de handeling of werking van het verbum? In Woordcombinaties geven we de zogenaamde semantische of logische objecten bij het hoofdwerkwoord. In passieve zinnen verschijnt dat semantische of logische object als grammaticaal subject (zinssubject) van worden of zijn. Vergelijk:
de arts behandelt de patiënt (object in actieve zin)
vs.
de patiënt wordt/is behandeld (door de arts) (grammaticaal subject in passieve zin)
De patiënt is in de passieve zin wel nog diegene die de handeling van het verbum behandelen ondergaat en blijft het zogenaamde logische of semantische direct object van dat verbum.
Nederlandse term: onderwerp. Van wie of wat gaat de handeling of werking van het verbum uit? In de relatie 'subject bij' is het trefwoord het zogenaamde semantische of logische subject bij een hoofdwerkwoord. Vaak valt het semantische subject samen met het grammaticale subject (het subject van de zin), maar dat is zeker niet altijd het geval. In passieve zinnen kan het semantische subject uitgedrukt zijn in een door-bepaling. Ook in andere zinnen met een hulpwerkwoord en een hoofdwerkwoord hoort het semantische subject bij het hoofdwerkwoord. Vergelijk:
de arts behandelt de patiënt (actieve zin)
vs.
de patiënt wordt/is behandeld door de arts (passieve zin)de kunstenaar werkt in alle rust
vs.
de kunstenaar wil in alle rust kunnen werken.
De arts is in de passieve zin niet meer het grammaticale subject van de zin. Dat is nu de patiënt bij wordt/zijn. De arts is wel nog diegene die de handeling van het verbum behandelen uitoefent en blijft van dat verbum het zogenaamde logische of semantische subject. De hele door-bepaling door de arts wordt in Nederlandse grammatica’s ook wel het handelend voorwerp genoemd. In de zin de kunstenaar wil in alle rust kunnen werken is de kunstenaar het grammaticale subject bij wil, maar het semantische subject bij werken.
Nederlandse term: lijdend voorwerp. Wie of wat ondergaat de handeling of werking van het verbum? In de relatie 'object bij' is het trefwoord het zogenaamde semantische of logische object bij het hoofdwerkwoord. In passieve zinnen verschijnt dat semantische of logische object als grammaticaal subject (zinssubject) van worden of zijn. Vergelijk:
de arts behandelt de patiënt (object in actieve zin)
vs.
de patiënt wordt/is behandeld (door de arts) (grammaticaal subject in passieve zin)
De patiënt is in de passieve zin wel nog diegene die de handeling van het verbum behandelen ondergaat en blijft het zogenaamde logische of semantische direct object van dat verbum.
Nederlandse term: meewerkend voorwerp, e.d. Wie of wat is als ontvanger, belanghebbende of ondervinder betrokken bij de handeling of werking van het verbum? Er kunnen verschillende types indirect object
onderscheiden worden (zie Indirect object (taaladvies.net)
Deze zijn niet altijd gemakkelijk van elkaar te onderscheiden.
Nederlandse term: voorzetselvoorwerp. Het voorzetselobject of voorzetselvoorwerp is een aanvulling bij een verbum met een vaste prepositie. Adverbiale bepalingen kunnen ook ingeleid worden door een prepositie, maar in bepalingen zijn de preposities variabeler. Vergelijk:
hij wacht op zijn broer (voorzetselobject)
vs.
hij wacht op het perron, in de kamer, bij de ingang (bepaling van plaats)
Zegt iets over het subject of object in combinatie met het verbum. In de Nederlandse grammatica’s onderscheidt men een aantal zinsdelen die iets over het subject of object zeggen, met name het naamwoordelijk deel van het gezegde of predicaatsnomen bij copulae (koppelwerkwoorden) en de bepaling van gesteldheid bij zelfstandige verba. Voorbeelden:
hij is moe (naamwoordelijk deel van het gezegde)
het viel me zwaar (naamwoordelijk deel van het gezegde)
ik vind hem een schat (bepaling van gesteldheid)
hij werkt daar als portier (bepaling van gesteldheid)
Geeft antwoord op vragen als waar, wanneer, hoe, waarom, waarmee, ….?
Bijwoordelijke bepalingen kunnen in de zin vaak, maar niet altijd weggelaten worden. Vergelijk:
ze leest een boek in bed (weglaatbare of optionele bepaling)
vs.
ze woont in Brussel (niet-weglaatbare of niet-optionele bepaling)
Niet-optionele bepalingen worden ook wel complementen genoemd. Voor subtypes naar betekenis (bv. plaats, richting, …) zie: ANS | 20.10 Bijwoordelijke bepalingen (ivdnt.org). De subtypes worden hier in de regel niet onderscheiden, maar waar dat wel nodig is voor de overzichtelijkheid en het gebruiksgemak, doen we dat wel.
Zinsdelen kunnen niet alleen woorden of woordgroepen zijn, maar ook bijzinnen of beknopte bijzinnen (bijzinnen zonder subject en verbum finitum).
Voorbeelden:
ik accepteer dat het zo is (bijzin)
hij vroeg of we kwamen (bijzin)
ik weet wie het gedaan heeft (bijzin)
hij vroeg ons om te komen (beknopte bijzin)
hij probeerde te vluchten (beknopte bijzin)
Sommige verba worden vaker met (beknopte) bijzinnen gecombineerd dan andere.
Ook substantieven kunnen een (beknopte) bijzin als bepaling hebben:
een kind om te zoenen (beknopte bijzin)
De (beknopte) bijzinnen kunnen verschillende syntactische functies in een zin of zinsdeel vervullen (subject, object, bepaling, enz.). In ik accepteer dat het zo is, bijvoorbeeld, is dat het zo is een objectszin. Voor het maken van combinaties, is de functie hier minder van belang. Belangrijker is de juiste keuze van het inleidende woord (dat, of, om enz. ). Voor het gebruiksgemak geven we in deze rubriek daarom een overzicht per inleidend woord.
Nederlandse term: hulpwerkwoord of groepsvormend werkwoord. Een verbum auxiliare of hulpwerkwoord ‘helpt’ het hoofdwerkwoord in zinnen met meer dan een verbum. Het wordt onder andere gebruikt voor het uitdrukken van tijd, modaliteit (hoe ziet de spreker de verhouding tussen de mededeling en de werkelijkheid?), passief en causaliteit (het doen plaatsvinden van een handeling of werking). Behalve de verba die traditioneel tot de verba auxiliare gerekend worden, zijn er nog andere groepsvormende werkwoorden die een verbinding met het hoofdverbum aangaan, bijvoorbeeld proberen, vallen, beginnen. Zie ANS | 18.5.1.1 Groepsvorming bij werkwoorden (ivdnt.org) Voorbeelden:
verba auxiliare:
ik heb mij vergist (tijd)
hij is gekomen (tijd)
de patiënt is/wordt behandeld door de arts (passief)
je moet dat accepteren (modaliteit)
ik kan dat niet accepteren (modaliteit)
ik laat mijn huis schilderen (causaliteit)
de zon doet de temperatuur stijgen (causaliteit)
andere groepsvormende verba:
hij probeert te komen
dat valt te bezien
het begint te regenen
Alle verba kunnen vervoegd worden en veel verba kunnen gepassiveerd worden. De verba auxiliari van tijd worden getoond als u klikt op ‘vormen’. Hier vermelden we alleen de overige verba auxiliari en groepsvormende verba die opvallend vaak bij bepaalde verba voorkomen, bv. kunnen, moeten + accepteren.
Nederlandse term:
zelfstandig naamwoord
Nederlandse term: voornaamwoord
Nederlandse term: voorzetselgroep
voorbeeld
in + stad kamer …
op + platteland station
Nederlandse term: bijwoord
Nederlandse term: bijvoeglijk naamwoord
Nederlandse term: achterzetsel of achtergeplaatst voorzetsel: achterzetsel (wat is dat?) | Genootschap Onze Taal | Onze Taal
Nederlandse term: achterzetsel of achtergeplaatst voorzetsel: achterzetsel (wat is dat?) | Genootschap Onze Taal | Onze Taal
Determinatoren zijn o.a. lidwoorden (de, het, een) en woorden die een hoeveelheid uitdrukken (veel, wat, enkele). De lidwoorden worden gegeven bij de woordvormen naast het trefwoord. In deze lijst met determinatoren staan de overige determinatoren.
Nederlandse termen: voornaamwoord of telwoord
Nederlandse term: telwoord
woordgroep met een prepositie (voorzetsel) of conjunctie (voegwoord). Een conjunctiegroep is bv. een woordgroep ingeleid door als of zoals in vergelijkingen (werken als een paard, een waarheid als een koe).
Nederlandse termen: voorzetsel of voegwoord
Nederlandse termen: bijvoeglijk naamwoord, deelwoord of telwoord
Nederlandse termen: bijvoeglijk naamwoord of bijwoord. Adjectieven (bijvoeglijke naamwoorden) kunnen ook als bijwoordelijke bepaling bij een werkwoord gebruikt worden. We spreken dan van een [adverbiaal of bijwoordelijk gebruikt adjectief](https://e-ans.ivdnt.org/topics/pid/ans0802lingtopic.
Specificeert het trefwoord nader.
Specificeert het trefwoord nader.
Adpositiegroepen zijn woordgroepen met een prepositie (voorzetsel), postpositie (achterzetsel) of circumpositie (omzetsel):
op de trap (met prepositie/voorzetsel)
de trap op (met postpositie/achterzetsel)
van de trap af (met circumpositie/omzetsel)
Conjunctiegroepen worden ingeleid door een conjunctie (voegwoord). In de voorbeelden met conjunctie als:
werken als een paard
een waarheid als een koe
Adpositiegroepen zijn woordgroepen met een prepositie (voorzetsel), postpositie (achterzetsel) of circumpositie (omzetsel):
op de trap (met prepositie/voorzetsel)
de trap op (met postpositie/achterzetsel)
van de trap af (met circumpositie/omzetsel)
Conjunctiegroepen worden ingeleid door een conjunctie (voegwoord). In de voorbeelden met conjunctie als:
werken als een paard
een waarheid als een koe